
Dankzij de toenemende verspreiding van digitale spiegelreflexcamera's en de verdere ontwikkeling van hoogwaardige inkjetprinters gaan steeds meer fotografen en fotofanaten ertoe over hun digitale foto's op de eigen computer te bewerken en zelf af te drukken. Slechts weinigen beschikken echter over voldoende bekwaamheid op het vlak van kleurenbeheer om de weergave van de schermkleuren en de printerkleuren op elkaar af te stemmen.
Een perfecte kleurafstemming is vrijwel onmogelijk, zelfs met professionele apparatuur. De oorzaken hiervoor zijn verschillen in het kleurenweergaveproces van monitoren en printers, evenals verschillen in de kleurruimte die kan worden weergegeven. In de volgende paragrafen wordt beschreven op welke wijze en onder welke voorwaarden u met ColorGraphic CG-monitoren een zo goed mogelijke visuele overeenstemming kunt bereiken tussen de afgedrukte kleuren en de kleuren op het monitorscherm.
Hierbij wordt uitgegaan van JPEG-foto's die met de Adobe RGB-kleurruimte zijn opgenomen. Omdat ook de sRGB-kleurruimte veel wordt gebruikt, wordt ook hierop ingegaan.
Voor een correcte weergave van de Adobe RGB-kleurruimte op een monitor moet deze kleurruimte door de desbetreffende monitor worden ondersteund. Vrijwel alle monitoren uit de actuele modellenserie van ColorGraphic CG beschikken over een kleurruimte waarmee Adobe RGB bijna volledig wordt ondersteund. Als de kleurruimte van een foto op Adobe RGB is ingesteld, liggen veel beeldsegmenten buiten de kleurruimte van printers. Daarom zullen er doorgaans duidelijke kleurverschillen tussen het monitorbeeld en het afgedrukte beeld optreden.
Afgedrukte foto's reflecteren het omgevingslicht. Dit licht wordt naar het oog van de gebruiker gereflecteerd en maakt zo de beeldwaarneming mogelijk. Het licht dat in de open lucht onder fel zonlicht van een papieren foto wordt gereflecteerd, verschilt aanzienlijk van het licht dat 's nachts in een binnenruimte van dezelfde foto wordt gereflecteerd. Het probleem is dat monitoren geen omgevingslicht reflecteren, maar zelf licht uitstralen. In de praktijk leidt dit ertoe dat er verschillen optreden ten opzichte van afgedrukte kleuren.
De eerste stap op weg naar kleurafstemming is aanpassing van het omgevingslicht
Om de kleurenweergave op de monitor op papieren afdrukken af te stemmen, moet eerst het omgevingslicht worden aangepast. Het is raadzaam gebruik te maken van TL-verlichting met een hoge CRI-waarde. Geschikte lampen met een CRI-waarde van minimaal 80 zijn verkrijgbaar in elektronicazaken. De kleurenweergave-index (Colour Rendering Index, CRI) is een meeteenheid waarmee de kleurenweergavekwaliteit van een lichtbron wordt beschreven. Een waarde van 100 komt overeen met een kleurenweergave bij standaardlicht (natuurlijk licht of zonlicht).
Het is raadzaam een lamp met een kleurtemperatuur van ongeveer 5000 K te kiezen. Houd er rekening mee dat de kleurtemperatuur van een lamp kan afwijken van die van de toegepaste TL-buizen als de lamp een coating of afscherming heeft.
Monitorweergave aanpassen
Nadat het omgevingslicht is aangepast, kan vervolgens de monitor op de veranderde lichtsituatie worden ingesteld. Met de kalibratiesoftware ColorNavigator die standaard bij elke ColorGraphic CG-monitor wordt meegeleverd, kunt u snel en simpel nauwkeurige kalibraties uitvoeren. Als de monitor geen ingebouwd meetinstrument bevat, hebt u daarnaast een sensor nodig. ColorNavigator ondersteunt de volgende sensoren:
Bij vrijwel al deze sensoren wordt een eigen kalibratiesoftware meegeleverd. Het is echter raadzaam uitsluitend ColorNavigator voor het kalibreren van uw ColorGraphic CG-monitor te gebruiken.
Als u een monitorweergave en een fotoafdruk visueel op elkaar wilt afstemmen, moeten het witpunt en de helderheid van de monitor worden afgestemd op het fotopapier waarop uiteindelijk zal worden afgedrukt. Bevestig het papier op een plaats waar u het gemakkelijk met de monitor kunt vergelijken en stem het witpunt en de helderheid vervolgens af via de navolgende instructies.
Tijdens ColorNavigator-kalibraties wordt met het witpunt, de helderheid en de gammawaarde gewerkt.
Kalibratiepunten
[1] Witpunt
Zoals eerder aangegeven, moet het witpunt van de monitor zo goed mogelijk worden afgestemd op de kleur van het fotopapier waarop uiteindelijk zal worden afgedrukt.
Achterhaal de kleurtemperatuur van de toegepaste TL-lamp (bijvoorbeeld 5000 K) en stel deze waarde in ColorNavigator in. Als het wit op de monitor na de kalibratie een licht blauwaandeel heeft, verlaagt u de kleurtemperatuur van het witpunt en herhaalt u de kalibratie.
Witte vellen fotopapier kunnen met ColorNavigator rechtstreeks worden gemeten. Dit maakt een preciezere kalibratie van het witpunt en de helderheid van de monitor mogelijk, die rekening hout met het omgevingslicht en de papierkleur.
Met enkele modellen uit de Eye-One-serie kan het omgevingslicht worden gemeten. Deze functie wordt ook door ColorNavigator ondersteund. Als u deze functie wilt gebruiken, klikt u op [Measure the target] om het omgevingslicht te meten. De meetwaarde wordt met x- en y-coördinaten voor het witpuntdoel vastgesteld.
[2] Helderheid
Tijdens de uitvoering van de witpuntmeting die in paragraaf [1] is beschreven, wordt de aanpassing van de helderheid mogelijk overgeslagen. Als dat niet het geval is, is de helderheidsaanpassing zeer belangrijk. Bij een gangbare monitor bedraagt de helderheid van fotopapier dat 's nachts onder kunstlicht wordt waargenomen 80 tot 100 cd/m². Deze waarde is natuurlijk afhankelijk van het aantal fluorescerende lampen en de afstand ervan tot het papier. Probeer de monitor eerst op 80 cd/m² te kalibreren. Als de monitor helderder dan het papier lijkt, verlaagt u de helderheidsinstelling en voert u de kalibratie opnieuw uit.
[3] Gammawaarde
Stel de gammawaarde in op 2,2, ongeacht of u met Windows of Mac OS werkt.
Kalibreren met ColorNavigator onder Mac OS
(1) Start ColorNavigator.
U herkent ColorNavigator aan het vlindersymbool.
(2) Klik op [Create a new target]
(3) Selecteer [Measure a target]
(4) Selecteer onder [Measurement device] uw externe meetinstrument waarmee u het papier gaat meten. Zorg ervoor dat bij [Target to be measured] de optie [Paper white] is ingesteld. Leg de sensor op een glad en ondoorzichtig oppervlak en klik op [Initialize].
(5) Het menu voor meting van het witpunt en de helderheid van het papier verschijnt. Positioneer het papier, zoals in de afbeelding, op ongeveer 25 cm van de sensor en meet het witpunt van het papier. Klik op [Measure] en vervolgens op [Next].
(6) Bevestig dat de doelwaarden (helderheid en x-/y-coördinaten van het witpunt van het papier) automatisch worden ingevoerd en klik vervolgens op [Next].
(7) Het is raadzaam Gamut op [Monitor native] te laten staan. Alleen in speciale gevallen is een kleurruimte-emulatie nodig.
(8) De gemeten waarden worden in het volgende scherm weergegeven. Klik op [Next].
(9) Laat het selectievakje [Set the target black level] uitgeschakeld. Klik op [Next] (aanbevolen).
(10) Schakel het selectievakje [All RGB] in, stel de gammawaarde in op 2,2, selecteer [Standard] (aanbevolen) en klik vervolgens op [Next].
(11) Voer een naam voor het doel of monitorprofiel in en klik op [Finish].
(12) Leg de sensor op een glad en ondoorzichtig oppervlak en klik op [Initialize].
(13) Plaats de sensor op de monitor en klik op [Proceed]. Het kalibratie wordt automatisch uitgevoerd.
(14) Na afronding van de kalibratie verschijnt het volgende venster. Bevestig de resultaten van de kalibratie en klik dan op [Finish].
(15) Als met de gebruikte sensor geen papiermeting mogelijk is, legt u de doelwaarden handmatig vast (helderheid, witpunt, gammawaarde). Daarna klikt u op [Next]. Voor algemene gebruiksdoeleinden wordt aanbevolen het witpunt op 5000 K en de helderheid op ca. 80 cd/m² in te stellen.
Het omgevingslicht is nu aangepast. Het witpunt en de helderheid van de monitor zijn op de witheid en helderheid van het afdrukpapier afgestemd. Voor het controleren van de kleurovereenstemming kunt u het beste een wit vlak weergeven (bijvoorbeeld een lege map). Maak het vlak met de muis even groot als het printerpapier. Houd het printerpapier ernaast en vergelijk de kleur.
Kleurenbeheer met correct geconfigureerde weergave- en retoucheerinstellingen is een absolute voorwaarde voor een optimale afstemming tussen de scherm- en afdrukkleuren. Deze paragraaf behandelt de configuratie van de aanbevolen instellingen in Adobe Photoshop CS4, een programma dat vaak wordt gebruikt voor het bewerken van digitale foto's die met digitale spiegelreflexcamera's zijn gemaakt. Alle configuratiestappen tot aan het begin van het afdrukken zullen worden beschreven. Verder maakt u kennis met de procedure voor kleuraanpassing met behulp van de printerdriver.
Instellingen voor weergave- en retoucheersoftware [Adobe Photoshop CS4]
(1) Kies in de menubalk [Edit] - [Color Settings] .
(2) Selecteer in de vervolgkeuzemenu van de instellingen de optie [Europe Prepress 2] . Klik op [OK]. Als u in een andere versie dan CS4 werkt, selecteert u de optie "Pre-press".
(3) Open de afbeelding. Selecteer in het weergegeven dialoogvenster de optie [Use the embedded profile (instead of the working space)] . Klik op [OK].
Wend u bij vragen over instellingen en werkwijzen die hier niet zijn beschreven en bij vragen over software rechtstreeks tot de producent van de desbetreffende software.
(Referentie 1) Printer selecteren
In deze documenten wordt de inkjetprinter EPSON R2400 UltraChrome K3 als referentie voor de kleurafstemming gebruikt. Hiervoor waren de volgende redenen doorslaggevend:
In deze paragraaf worden twee methoden voor het configureren van de afdrukinstellingen voorgesteld. Als voorbeeldapparaat wordt de printer EPSON Stylus Photo R2400 gebruikt.
A. Afdrukinstellingen met de printerdriver configureren
Met deze configuratie worden afbeeldingen met de kleurruimte Adobe RGB (of sRGB) zodanig afgedrukt dat de afdruk zo goed mogelijk met de schermweergave overeenkomt. De werkwijze die u hiervoor dient te volgen, is eenvoudiger dan het gebruik van het kleurenbeheersysteem (CMS) van Adobe Photoshop, dat in de volgende paragraaf wordt toegelicht. Als er geen gebruik wordt gemaakt van een professionele printer die op kleurafstemming is voorbereid, is de kleurafstemming echter altijd vrij lastig. Zoals eerder vermeld, kunnen verzadigde kleuren, zoals in het gestreepte gedeelte van de bovenstaande afbeelding, niet door een printer worden gereproduceerd, wat de kleurafstemming tussen monitor en printer bemoeilijkt.
(1) Selecteer [File] – [Print with Preview] .
(2) Selecteer onder [Options] - [Color Handling] de optie [No Color Management] . Klik op [Print] .
B. Afdrukinstellingen met het kleurenbeheersysteem van Adobe Photoshop configureren
Het geïntegreerde kleurenbeheersysteem van Adobe Photoshop ondersteunt de simulatie van afdrukkleuren. Om deze functie te kunnen gebruiken, moet Adobe Photoshop 7 (of een nieuwere versie) met het ICC-profiel van het afdrukpapier worden geconfigureerd. Hierna kan op de monitor worden gecontroleerd welke effecten er optreden wanneer u afbeeldingen met sterk verzadigde kleuren gebruikt.
Voor het afdrukken van afbeeldingen binnen een kleurenbeheersysteem vormt het kleurenbeheer met het CMS van Adobe Photoshop inmiddels de standaard. Voorwaarde hiervoor is wel dat de gebruikte profielen altijd correct zijn. De vereiste werkwijze is echter niet echt simpel. Daarom adviseren wij de kleurafstemming op de hiervoor beschreven wijze via de printerdriver uit te voeren. Als u niet tevreden bent over de behaalde resultaten, kunt u het kleurenbeheersysteem van Photoshop proberen.
Als u uw foto's met Adobe Photoshop Elements of vergelijkbare programma's weergeeft, is het kleurenbeheersysteem van Photoshop niet beschikbaar. In dat geval moet u de kleurinstellingen altijd via de printerdriver uitvoeren.
Voor het instellen van afdrukken met het kleurenbeheersysteem van Adobe Photoshop hebt u de ICC-profielen van uw printerpapier nodig. Voor de kleurafstemming tussen de monitor en afgedrukte afbeeldingen gebruikt u de functie [View] van Photoshop 7 of hoger. Bij alle andere programma's voor het retoucheren van foto's (ook bij Adobe Photoshop Elements) dient u de configuratie van de printer via het printerstuurprogramma uit te voeren.
Kleuren vóór het afdrukken met de Color-Proof-functie controleren
(1) Open de gewenste afbeelding en selecteer in het menu [View] de opties [Proof] – [Custom] .
(2) Selecteer onder [Device to Simulate] het profiel van het printerpapier. In het hier weergegeven voorbeeld wordt op het printerpapier EPSON Premium Glossy Photo Paper afgedrukt. Selecteer hiervoor [SPR2400 Premium Glossy]. Selecteer onder [Rendering Intent] de optie [Relative Colorimetric] , dat wil zeggen dezelfde instelling als onder [Print Preview] bij het uiteindelijke afdrukken. Als u bij [Print Preview] een andere conversieoptie gebruikt, selecteert u deze instelling. Schakel het selectievakje [Black Point Compensation] in. Schakel aan de rechterkant het selectievakje [Preview] in. Klik op [OK]. De afbeelding wordt weergegeven op basis van het ICC-profiel.
Afdrukken
(1) Selecteer in het menu [File] de optie [Print with Preview] . Configureer zo nodig de papierinstellingen. Selecteer onder [Options] - [Color Handling] de optie [Let Photoshop Determine Colors] . Selecteer onder [Printer Profile] de optie [SPR2400 Premium Glossy]. Selecteer onder [Rendering Intent] de optie [Relative Colorimetric] . Schakel het selectievakje [Black Point Compensation] in.
(2) Klik op [Print].
A. Afdrukinstellingen met de printerdriver configureren
(1) Selecteer de gewenste printer in het vervolgkeuzemenu [Printer] .
(2) Selecteer in hetzelfde venster in het derde vervolgkeuzemenu van boven de optie [Print Settings] .
(3) Selecteer uw papier in het vervolgkeuzemenu [Media Type] . Onder [Mode] moet [Automatic] zijn ingeschakeld. Klik op [Print] om het afdrukproces te starten.
Daarmee is deze stap voltooid.
B. Afdrukinstellingen met het kleurenbeheersysteem van Adobe Photoshop configureren
(1) Selecteer uw printer in het vervolgkeuzemenu [Printer] .
(2) Selecteer in hetzelfde venster [Print Settings] in het derde vervolgkeuzemenu van boven.
(3) Selecteer het gebruikte papier in het vervolgkeuzemenu [Media Type] . Onder [Mode] moet [Automatic] zijn ingeschakeld. Klik op [Print] om het afdrukproces te starten.
(4) Selecteer [Off (No Color Adjustment)] . Klik op [Print] om het afdrukproces te starten.
Daarmee is deze stap voltooid.
